Vechtkrant, 22 april 2008
Dossier: Bewonersorganisaties
Kwaliteitsmeting huurdersorganisaties door Woonbond
De huurdersorganisatie wordt er alleen maar wijzer van
Voor woningcorporaties bestaan allerlei kwaliteitslabels.
Hierin kwam huurdersparticipatie nauwelijks aan bod. Vorig jaar werd door het
Kwaliteitscentrum Woningcorporaties Huursector (KWH) het Participatielabel voor
corporaties gelanceerd, met als tegenhanger de Kwaliteitsmeting van huurdersorganisaties
door de Woonbond. De Vechtkrant vroeg Ulferd Bruseker, onderzoeker bij de Woonbond, naar de opzet en
resultaten van deze kwaliteitsmeting.
Hoe is de
kwaliteitsmeting van huurdersorganisaties ontstaan?
De aanleiding kwam van twee
kanten. Bestuursleden van huurdersorganisaties signaleerden dat van hen steeds
meer gevraagd wordt. In trainingen bleek behoefte aan nieuwe werkvormen. Het Huurlabel voor woningcorporaties van het
KWH miste een onderdeel huurdersparticipatie. Zo ontstond het idee van een
nieuw kwaliteitslabel voor huurdersparticipatie, waarbij het KWH onderzoekt hoe
de woningcorporatie omgaat met participatie en de Woonbond het functioneren van
de huurdersorganisatie in beeld brengt.
De normen voor onze
kwaliteitsmeting zijn samen met onze achterban opgesteld. Dit leverde binnen de
vereniging van de Woonbond de nodige discussies op. Onze leden vonden dat je
aan hen als vrijwilligers niet zulke eisen kan stellen als aan professionele
organisaties zoals de corporaties. De conclusie was dat het geen oordeel moest
worden waarbij de huurdersorganisatie wel of niet slaagt, maar een beeld hoe de
achterban en andere belanghebbenden de huurdersorganisatie zien, met suggesties
voor verbeteringen.
Hoe gaat de meting in zijn werk?
De meting bestaat uit
gesprekken met het bestuur van de huurdersorganisatie en de corporatie,
documentenonderzoek en een schriftelijke of telefonische enquête onder de
huurders. Hierbij wordt de huurdersorganisatie getoetst aan normen op vijf
gebieden, kort samengevat:
1.
Voldoet men aan de voorwaarden uit de Overlegwet?
2.
Werkt men met een werkplan, begroting en jaarverslag,
heeft men voldoende financiële middelen en faciliteiten?
3.
Hoe wordt de achterban geïnformeerd en geraadpleegd,
kunnen individuele huurders hun mening geven, is er voldoende contact met
eventuele bewonerscommissies?
4.
Hoe verloopt de samenwerking met de verhuurder, is er
bijvoorbeeld een samenwerkingsovereenkomst?
5.
Heeft de huurdersorganisaties echt invloed, en wat
vinden de huurders en bewonerscommissies van de resultaten?
In onze rapportage geven we
aan hoe goed de huurdersorganisatie op deze punten werkt ten opzichte van het
gemiddelde. Dat biedt weer aanknopingspunten voor verbetering.
Wat zijn de resultaten tot nog toe?
In totaal zijn er ongeveer
20 huurdersorganisaties onderzocht, van wisselende grootte. Meestal zijn het
koepelorganisaties met bewonerscommissies die daarbij aangesloten zijn, maar
het kan ook een grote huurdersvereniging zijn.
Het algemene beeld is als
volgt:
-
Veel huurdersorganisaties hebben moeite goed contact
met de individuele huurders te ontwikkelen. De meeste huurders zijn niet op de
hoogte van wat de huurdersorganisatie doet en voelen weinig binding daarmee.
Verbetering is mogelijk door bijvoorbeeld af een toe een enquête onder de
huurders te houden of een interactieve website op te zetten.
-
De huurdersorganisaties functioneren beleidsmatig
meestal wel goed, al werken lang niet alle clubs met een werkplan, of sluit de
begroting soms niet aan op het werkplan.
-
Huurdersorganisaties nemen soms genoegen met zeer
beperkte financiële middelen. Door een vergelijking met andere organisaties
wordt soms duidelijk dat men meer geld van de corporatie kan vragen en de
activiteiten daardoor versterken.
-
De corporaties willen vaak meer vernieuwing en
verjonging bij de participatie, in de huurdersverenigingen zijn vooral veel
oudere Nederlanders actief. Verbetering is bijvoorbeeld mogelijk door huurders
mogelijkheden te bieden om in een beperkte periode en op een specifiek thema
mee te doen, bijvoorbeeld in een werkgroep servicekosten.
Hoe wordt het verband met het KWH-participatielabel
gelegd?
In
principe zijn het participatielabel en de
kwaliteitsmeting aanvullend op elkaar en kunnen elkaar versterken. Maar in de
praktijk blijkt het vaak lastig om beide metingen aan elkaar te koppelen. De
methodieken verschillen en de metingen worden niet altijd in dezelfde periode
uitgevoerd. Dat maakt de uitkomsten soms moeilijk vergelijkbaar, vooral als er
veel verschil is in de aangesloten organisaties.
Toch
zijn de resultaten positief. Vrijwel altijd leidt de meting tot een verbetering
van de relatie tussen de huurdersorganisatie en de woningcorporatie.
Corporatiebestuurders kunnen zo op een goede manier hun mening over het
functioneren geven en waarderen het dat een huurdersorganisatie zich open
opstelt. De huurdersorganisaties scoren op sommige punten beter, en op andere
weer minder dan collega-organisaties en reageren positief op de aangedragen
mogelijkheden om hun werkwijze te verbeteren.
Hebben jullie er zicht op in hoeverre de aanbevelingen
ook echt worden opgevolgd?
Tot
nog toe te weinig, het is een eenmalige meting. Dat is iets voor ons om in de
toekomst te verbeteren.