Als een wijk achteruit gaat, zijn het vaak de gezinnen die als eerste vertrekken. Zij zijn het signaal voor woningcorporaties, gemeenten en andere partijen om in actie te komen. Door niet alleen te kijken naar harde cijfers, maar ook naar het pedagogisch klimaat van een wijk, kan een wijk aantrekkelijk blijven of worden gemaakt. Hoe? In de nieuwe Woonmonitor van Sociale Verhuurders Haaglanden wordt verslag gedaan van een onderzoek hiernaar.
Wil ik hier mijn kind laten opgroeien? Die vraag staat
centraal als ouders een wijk beoordelen, weten stedelijke onderzoekers Joke van
der Zwaard en Arnold Reijndorp. De SVH vroeg hen in
beeld te brengen hoe je het pedagogisch klimaat in een wijk kunt beoordelen.
Resultaat is een notitie over het monitoren van ‘zachte’ waarden, als
waardevolle aanvulling op de ‘harde’ cijfers in de ‘Wijkkrachtmonitor
Haaglanden’ die wordt ontwikkeld.
In Haaglanden wordt hard gewerkt aan de leefbaarheid van
wijken, een speerpunt van het kabinet. Minister Vogelaar heeft extra geld
uitgetrokken voor veertig krachtwijken. Ook andere wijken kunnen rekenen op fi nanciële ondersteuning. In
hoeverre bestaat er in de Haaglandse wijken een
fysieke, sociale en/of economische achterstand? Om daarachter te komen, ontwik
kelen de SVH en het Stadsgewest samen de ‘Wijkkrachtmonitor
Haaglanden’. Deze regionale wijkkrachtmonitor zal een
aantal trends en ontwikkelingen in beeld brengen aan de hand van vier
hoofdthema’s: Bevolking, Wonen, Werk en inkomen, Leefbaarheid en veiligheid. De
monitor geeft informatie over alle wijken in Haaglanden, maar zoomt in op zes
wijken, die een goede doorsnede geven van wat de regio te bieden heeft.
Dynamiek achter de trends
Veel gegevens in de ‘Wijkkrachtmonitor
Haag landen’ zijn afkomstig van het CBS en databestanden van Stadsgewest en
SVH. Ze maken duidelijk dat de diversiteit in de regio groot is, maar dit
vonden de SVH en het Stadsgewest niet voldoende. “De cijfers tonen de trends,
maar niet de dynamiek erachter. Hoe is het sociale klimaat in een wijk, hoe
gaan bewoners met elkaar om, hoe is de leefbaarheid? Daarom wilden we naast de
harde cijfers ook de ‘zachte’ gegevens in beeld
krijgen”, zegt SVH-voorzitter Christa
Begemann. Ontwikkelingspsychologe Joke van der Zwaard
en stadssocioloog Arnold Reijndorp, beiden
zelfstandig onderzoeker, hebben twee zaken in kaart gebracht: de
kwaliteitseisen van gezinnen en manieren om die eisen te monitoren in de wijk.
Geen toevallige keuze, zegt Van der Zwaard: “Als een wijk verloedert, zijn het
vaak de gezinnen – althans degenen die het zich kunnen veroorloven – die als
eerste vertrekken. Voor het leefklimaat in wijken hebben zij eenzelfde soort
signaalfunctie als het vogeltje in een mijnschacht.” Dit betekent volgens haar
dat je moeite moet doen om gezinnen in de wijk te krijgen en te houden. Wat
moet hiervoor gebeuren? Waarop letten ouders als zij zich afvragen: wil ik hier
mijn kind laten opgroeien? “Die vraag speelt vooral op drie momenten: als het
eerste kind bijna geboren wordt, als het naar de basisschool, en als het naar
de middelbare school gaat. Wat zijn op díe momenten
redenen om te blijven of te vertrekken?”
Tellen en vergelijken
In de notitie beschrijven Van der Zwaard en Reijndorp acht manieren om de pedagogische kwaliteit van
een wijk te monitoren. De eerste heeft betrekking op het buitenspelen. Kinderen
zouden zich zonder al te veel toezicht op straat moeten kunnen vermaken, omdat
de omgeving zowel spannend als veilig is. Om erachter te komen hoe het in een
wijk staat met de veiligheid, kindvriendelijkheid en ontdekkingsruimte, kun je
de aantallen kinderen én volwassenen op straat
observeren, tellen en vergelijken met de bevolkingsgegevens. “Daarnaast kan een
geregelde enquête onder de jeugd bruikbare gegevens op leveren”, meent Van der
Zwaard. In een buurt met een slechte naam hebben ouders de neiging om hun
kinderen binnen te houden, onder meer uit angst dat zij de verkeerde vrienden
krijgen. Of ze laten hun kinderen alleen onder toezicht buitenspelen. Het
gevaar hiervan is dat er gescheiden werelden van binnen- en buitenkinderen
kunnen ontstaan, wat voor ouders uiteindelijk reden kan zijn om te verhuizen
naar een buurt met meer ‘ons soort mensen’. “Vraag hen daarom regelmatig in
hoeverre ze trots zijn op hun wijk en welk beeld ze hebben van de
medebewoners.”
Buurtbewoners ondervragen
Ook scholen en jeugdvoorzieningen bepalen het pedagogische
klimaat in een wijk. Zowel kinderen als ouders geven de voorkeur aan
kleinschalige, meer persoonlijke scholen en voorzieningen. Van der Zwaard:
“Maar ouders letten ook op prestaties, op de kansen van hun kinderen om vooruit
te komen. Die kwaliteit kan je bijvoorbeeld afl ezen aan de doorstromingscijfers in relatie tot de
opleiding van ouders en het aantal leerlingen van binnen en buiten de wijk. Ook
in de jeugdvoorzieningen moeten ouders hun ambities herkennen. Stralen de
gebouwen en speelplaatsen ‘vandalisme bestendige achterstandsbestrijding’ of
‘extreme risicovermijding’ uit, dan zoeken ze iets buiten de wijk. Kwaliteit,
diversiteit en gebruik van voorzieningen kan je monitoren door een sociale en
culturele kaart van de wijk te maken en buurtbewoners te ondervragen.”
Afwisselende bouw, bedrijvigheid, groen, goede wandel- en fi
etsroutes, aantrekkelijke hangplekken: ze maken een wijk levendig. Die
levendigheid is te meten door het aantal personen op verschillende dagen en
tijden te tellen. Verder kan je volgens de onderzoekers via een jeugdvrijetijdsmonitor informatie verkrijgen over het
ontbreken van bepaalde groepen kinderen en jongeren op sommige plaatsen. Rondom
specifi eke plekken zijn
focusgroepsgesprekken een mogelijkheid.
Nuttige activiteiten meten
Focusgroepsgesprekken zijn ook, evenals een jeugdveiligheidsmonitor, een prima middel om de behoefte
aan, en ervaringen met, al dan niet betaalde nuttige activiteiten in een wijk
te meten. “Kinderen mogen dan niet graag hun kamer opruimen, ze willen zich wel
nuttig voelen en behulpzaam zijn”, stelt Van der
Zwaard. Dat kan bijvoorbeeld via vrijwilligerswerk of een bijbaantje.
Volwassenen kunnen hun kennis en ervaring op dat gebied delen, waardoor
gelijkwaardigheid en wederkerigheid tussen de generaties ontstaat. De
gelegenheden om elkaar daarvoor in de wijk te treffen, kun je in kaart brengen.
Telt een wijk voorzieningen voor hulp in noodgevallen, zoals aanhoudende
burenoverlast, opvoedproblemen of kinderen in nood? Om dat te monitoren, kun je
die voorzieningen registreren in de sociale en culturele kaart, maar ook vragen
erover stellen in een veiligheidsmonitor. De verhuisbewegingen van gezinnen
noemen Reijndorp en Van der Zwaard als algemene
indicator van de pedagogische kwaliteit van een wijk. De redenen om te ver
huizen blijken echter doorgaans niet uit de harde cijfers, maar moet je aan de
betreffende mensen vragen. Exit-interviews met
vertrekkers kunnen zeer verhelderend zijn, naast de statistische gegevens over
verhuizingen van en naar een wijk door gezinnen, opgesplitst naar kinderen van
diverse leeftijden.
Onderdeel van het dagelijks werk
“Onze voorstellen zijn bruikbaar in alle wijken waar iets
aan de hand is, of er nu veel gezinnen vertrekken of juist veel nieuw komen
wonen”, zegt Joke van der Zwaard. “Alle partijen in de wijk, zoals corporaties,
welzijnswerk, scholen, huurdersverenigingen, kunnen ze toepassen. Groot
voordeel is dat ze gewoon kunnen worden uitgevoerd als onderdeel van het
dagelijks werk. Ze vormen een manier om het eigen werk te ontwikkelen en te eva
lueren en tegelijkertijd in contact te blijven met
bewoners.” De uitkomsten geven aanknopingspunten om zowel het pedagogisch
klimaat als het vertrouwen in de buurt voor ouders met kinderen te verbeteren.
Bron: Woonforum
Sociale Verhuurders Haaglanden