Vechtkrant, 12 december 2008
Dossier: Herstructurering landelijk
Onderzoek naar participatie in de Vogelaarwijken
Kleine steden doen het beter dan de grote
Hoe is er omgegaan met de bewonersparticipatie bij het
maken van de wijkactieplannen in de 40 Vogelaarwijken? Op deze vraag heeft de
Universiteit van Tilburg geprobeerd een antwoord te vinden. Het Landelijk
Samenwerkingsverband Aandachtswijken (LSA) gaf de opdracht voor dit onderzoek.
De resultaten zijn niet
echt om over naar huis te schrijven. In ruim een derde van de wijken zijn
bewoners maar zeer beperkt betrokken geweest bij het maken van het
wijkactieplan. In iets minder dan 30% van de wijken verliep de participatie
alleen via de al bestaande overleggen met de bewoners.
Slechts in ongeveer een derde van de wijken is de participatie veel breder
aangepakt. In de grote steden waren de mogelijkheden voor bewoners om te
participeren beperkt, in de kleinere steden is de participatie het meest actief
bevorderd.
Het rapport concludeert dat
in de meeste gevallen de bewoners wel de mogelijkheid hebben gekregen om mee te
praten, maar dat de reikwijdte en de diepgang daarvan vaak beperkt was. De
mensen konden veelal wel aangeven welke problemen er in hun wijk speelden, maar
vaak werd geen mogelijkheid geboden om zelf oplossingen aan te dragen. De
inventarisatie en de keuze van de oplossingen bleef voornamelijk het domein van
de professionals.
Netten
De participatie wordt
vergeleken met de visvangst. Om zoveel mogelijk mensen te bereiken werden
‘brede netten’ uitgegooid, ofwel, de uitnodiging om te participeren werd onder
een groot aantal betrokkenen verspreid. Maar er werd met weinig verschillende
netten naar de mening van bewoners gevist, zodat moeilijk bereikbare groepen
minder aan bod zijn gekomen.
De terugkoppeling was ook
niet best. Mensen konden dus wel hun mening geven, maar werden vervolgens niet
op de hoogte gehouden van wat daar mee werd gedaan.
Utrecht
Ook Utrecht is in het
onderzoek aan bod gekomen. In Kanaleneiland zijn
eerst de professionals gevraagd wat zij de plussen en minnen van de wijk vonden
en wat zij vonden dat veranderd moest worden. Op een bijeenkomst met bewoners
zijn dezelfde vragen voorgelegd. Uit dit alles zijn de hoofdlijnen
gedestilleerd die vervolgens door de professionals en bewoners gezamenlijk zijn
besproken. Dit vormde de basis voor het wijkactieplan. Een klankbordgroep van
bewoners heeft vervolgens verder gekeken naar de inhoud en de wijze waarop
bewoners verder betrokken konden worden bij de uitvoering van het plan.
Geconstateerd is echter dat aan de terugkoppeling verder weinig aandacht is
besteed.
In Ondiep en Zuilen Oost
zijn er meerdere bijeenkomsten met bewoners georganiseerd en kon er ook over
voorstellen gestemd worden.
In Overvecht heeft, volgens
het rapport, geen uitgebreide bewonersparticipatie plaatsgevonden. Daarbij viel
op dat de omschrijvingen van het participatietraject door de
bewonersorganisaties en de gemeente op nogal veel punten uiteen liepen.
Conclusies
Na het lezen van het
onderzoek dringt zich de vraag op hoeveel waarde je er nu aan moet hechten. De
informatie is verkregen door middel van het afnemen van een telefonische
vragenlijst bij de gemeenten en de bewonersorganisaties in de wijken. Om aan de
uitkomsten daarvan al te zware conclusies te verbinden is een hachelijke zaak,
omdat ze gemakkelijk gekleurd kunnen worden door de individuele beleving van de
geïnterviewde. Als je echt wilt weten hoe het er in een bepaalde wijk wat
betreft de participatie aan toe is gegaan, zal je er waarschijnlijk toch dieper
in moeten duiken.
[PH]