Voor woningcorporaties bestaan allerlei kwaliteitslabels. Hierin kwam huurdersparticipatie nauwelijks aan bod. Vorig jaar werd door het Kwaliteitscentrum Woningcorporaties Huursector (KWH) het Participatielabel voor corporaties gelanceerd, met als tegenhanger de Kwaliteitsmeting van huurdersorganisaties door de Woonbond. De Vechtkrant vroeg Ulferd Bruseker, onderzoeker bij de Woonbond, naar de opzet en resultaten van deze kwaliteitsmeting.
Hoe is de
kwaliteitsmeting van huurdersorganisaties ontstaan?
De aanleiding kwam van twee kanten. Bestuursleden van huurdersorganisaties
signaleerden dat van hen steeds meer gevraagd wordt. In trainingen bleek
behoefte aan nieuwe werkvormen. Het Huurlabel
voor woningcorporaties van het KWH miste een onderdeel huurdersparticipatie. Zo
ontstond het idee van een nieuw kwaliteitslabel voor huurdersparticipatie,
waarbij het KWH onderzoekt hoe de woningcorporatie omgaat met participatie en
de Woonbond het functioneren van de huurdersorganisatie in beeld brengt.
De normen voor onze kwaliteitsmeting zijn samen met onze achterban
opgesteld. Dit leverde binnen de vereniging van de Woonbond de nodige discussies
op. Onze leden vonden dat je aan hen als vrijwilligers niet zulke eisen kan
stellen als aan professionele organisaties zoals de corporaties. De conclusie
was dat het geen oordeel moest worden waarbij de huurdersorganisatie wel of
niet slaagt, maar een beeld hoe de achterban en andere belanghebbenden de
huurdersorganisatie zien, met suggesties voor verbeteringen.
Hoe gaat de meting in zijn werk?
De meting bestaat uit gesprekken met het bestuur van de huurdersorganisatie
en de corporatie, documentenonderzoek en een schriftelijke of telefonische enquête
onder de huurders. Hierbij wordt de huurdersorganisatie getoetst aan normen op
vijf gebieden, kort samengevat:
1.
Voldoet men aan de voorwaarden uit de
Overlegwet?
2.
Werkt men met een werkplan, begroting en jaarverslag,
heeft men voldoende financiële middelen en faciliteiten?
3.
Hoe wordt de achterban geïnformeerd en
geraadpleegd, kunnen individuele huurders hun mening geven, is er voldoende contact
met eventuele bewonerscommissies?
4.
Hoe verloopt de samenwerking met de verhuurder,
is er bijvoorbeeld een samenwerkingsovereenkomst?
5.
Heeft de huurdersorganisaties echt invloed, en
wat vinden de huurders en bewonerscommissies van de resultaten?
In onze rapportage geven we aan hoe goed de huurdersorganisatie
op deze punten werkt ten opzichte van het gemiddelde. Dat biedt weer aanknopingspunten
voor verbetering.
Wat zijn de resultaten tot nog toe?
In totaal zijn er ongeveer 20 huurdersorganisaties onderzocht,
van wisselende grootte. Meestal zijn het koepelorganisaties met bewonerscommissies
die daarbij aangesloten zijn, maar het kan ook een grote huurdersvereniging
zijn.
Het algemene beeld is als volgt:
-
Veel huurdersorganisaties hebben moeite goed
contact met de individuele huurders te ontwikkelen. De meeste huurders zijn niet
op de hoogte van wat de huurdersorganisatie doet en voelen weinig binding daarmee.
Verbetering is mogelijk door bijvoorbeeld af een toe een enquête onder de
huurders te houden of een interactieve website op te zetten.
-
De huurdersorganisaties functioneren
beleidsmatig meestal wel goed, al werken lang niet alle clubs met een werkplan,
of sluit de begroting soms niet aan op het werkplan.
-
Huurdersorganisaties nemen soms genoegen met
zeer beperkte financiële middelen. Door een vergelijking met andere organisaties
wordt soms duidelijk dat men meer geld van de corporatie kan vragen en de
activiteiten daardoor versterken.
-
De corporaties willen vaak meer vernieuwing en
verjonging bij de participatie, in de huurdersverenigingen zijn vooral veel
oudere Nederlanders actief. Verbetering is bijvoorbeeld mogelijk door huurders
mogelijkheden te bieden om in een beperkte periode en op een specifiek thema
mee te doen, bijvoorbeeld in een werkgroep servicekosten.
Hoe wordt het verband met het KWH-participatielabel
gelegd?
In principe zijn het participatielabel en de kwaliteitsmeting aanvullend op
elkaar en kunnen elkaar versterken. Maar in de praktijk blijkt het vaak lastig
om beide metingen aan elkaar te koppelen. De methodieken verschillen en de
metingen worden niet altijd in dezelfde periode uitgevoerd. Dat maakt de uitkomsten
soms moeilijk vergelijkbaar, vooral als er veel verschil is in de aangesloten
organisaties.
Toch zijn de resultaten positief.
Vrijwel altijd leidt de meting tot een verbetering van de relatie tussen de
huurdersorganisatie en de woningcorporatie. Corporatiebestuurders kunnen zo op
een goede manier hun mening over het functioneren geven en waarderen het dat
een huurdersorganisatie zich open opstelt. De huurdersorganisaties scoren op
sommige punten beter, en op andere weer minder dan collega-organisaties en reageren
positief op de aangedragen mogelijkheden om hun werkwijze te verbeteren.
Hebben jullie er zicht op in hoeverre de aanbevelingen
ook echt worden opgevolgd?
Tot nog toe te weinig, het is een
eenmalige meting. Dat is iets voor ons om in de toekomst te verbeteren.
Reacties:
Plaats hier uw reactie: