NieuwsVechtkrantVraagbaakLinksIngezondenDeze siteZoeken

 
Nummer 1
Nummer 2
Nummer 3
Nummer 4
Nummer 5
Nummer 6
Nummer 7
Nummer 8







 
Home > Vechtkrant > 2008 > Nummer 3 > De huurdersorganisatie wordt er alleen maar wijzer van

Vechtkrant, 22 april 2008

Kwaliteitsmeting huurdersorganisaties door Woonbond

De huurdersorganisatie wordt er alleen maar wijzer van

Voor woningcorporaties bestaan allerlei kwaliteitslabels. Hierin kwam huurdersparticipatie nauwelijks aan bod. Vorig jaar werd door het Kwaliteitscentrum Woningcorporaties Huursector (KWH) het Participatielabel voor corporaties gelanceerd, met als tegenhanger de Kwaliteitsmeting van huurdersorganisaties door de Woonbond. De Vechtkrant vroeg Ulferd Bruseker, onderzoeker bij de Woonbond, naar de opzet en resultaten van deze kwaliteitsmeting.

Hoe is de kwaliteitsmeting van huurdersorganisaties ontstaan?

De aanleiding kwam van twee kanten. Bestuursleden van huurdersorganisaties signaleerden dat van hen steeds meer gevraagd wordt. In trainingen bleek behoefte aan nieuwe werkvormen. Het Huurlabel voor woningcorporaties van het KWH miste een onderdeel huurdersparticipatie. Zo ontstond het idee van een nieuw kwaliteitslabel voor huurdersparticipatie, waarbij het KWH onderzoekt hoe de woningcorporatie omgaat met participatie en de Woonbond het functioneren van de huurdersorganisatie in beeld brengt.

De normen voor onze kwaliteitsmeting zijn samen met onze achterban opgesteld. Dit leverde binnen de vereniging van de Woonbond de nodige discussies op. Onze leden vonden dat je aan hen als vrijwilligers niet zulke eisen kan stellen als aan professionele organisaties zoals de corporaties. De conclusie was dat het geen oordeel moest worden waarbij de huurdersorganisatie wel of niet slaagt, maar een beeld hoe de achterban en andere belanghebbenden de huurdersorganisatie zien, met suggesties voor verbeteringen.

Hoe gaat de meting in zijn werk?

De meting bestaat uit gesprekken met het bestuur van de huurdersorganisatie en de corporatie, documentenonderzoek en een schriftelijke of telefonische enquête onder de huurders. Hierbij wordt de huurdersorganisatie getoetst aan normen op vijf gebieden, kort samengevat:

1.       Voldoet men aan de voorwaarden uit de Overlegwet?

2.       Werkt men met een werkplan, begroting en jaarverslag, heeft men voldoende financiële middelen en faciliteiten?

3.       Hoe wordt de achterban geïnformeerd en geraadpleegd, kunnen individuele huurders hun mening geven, is er voldoende contact met eventuele bewonerscommissies?

4.       Hoe verloopt de samenwerking met de verhuurder, is er bijvoorbeeld een samenwerkingsovereenkomst?

5.       Heeft de huurdersorganisaties echt invloed, en wat vinden de huurders en bewonerscommissies van de resultaten?

In onze rapportage geven we aan hoe goed de huurdersorganisatie op deze punten werkt ten opzichte van het gemiddelde. Dat biedt weer aanknopingspunten voor verbetering.

Wat zijn de resultaten tot nog toe?

In totaal zijn er ongeveer 20 huurdersorganisaties onderzocht, van wisselende grootte. Meestal zijn het koepelorganisaties met bewonerscommissies die daarbij aangesloten zijn, maar het kan ook een grote huurdersvereniging zijn.

Het algemene beeld is als volgt:

-          Veel huurdersorganisaties hebben moeite goed contact met de individuele huurders te ontwikkelen. De meeste huurders zijn niet op de hoogte van wat de huurdersorganisatie doet en voelen weinig binding daarmee.
Verbetering is mogelijk door bijvoorbeeld af een toe een enquête onder de huurders te houden of een interactieve website op te zetten.

-          De huurdersorganisaties functioneren beleidsmatig meestal wel goed, al werken lang niet alle clubs met een werkplan, of sluit de begroting soms niet aan op het werkplan.

-          Huurdersorganisaties nemen soms genoegen met zeer beperkte financiële middelen. Door een vergelijking met andere organisaties wordt soms duidelijk dat men meer geld van de corporatie kan vragen en de activiteiten daardoor versterken.

-          De corporaties willen vaak meer vernieuwing en verjonging bij de participatie, in de huurdersverenigingen zijn vooral veel oudere Nederlanders actief. Verbetering is bijvoorbeeld mogelijk door huurders mogelijkheden te bieden om in een beperkte periode en op een specifiek thema mee te doen, bijvoorbeeld in een werkgroep servicekosten.

Hoe wordt het verband met het KWH-participatielabel gelegd?

In principe zijn het participatielabel en de kwaliteitsmeting aanvullend op elkaar en kunnen elkaar versterken. Maar in de praktijk blijkt het vaak lastig om beide metingen aan elkaar te koppelen. De methodieken verschillen en de metingen worden niet altijd in dezelfde periode uitgevoerd. Dat maakt de uitkomsten soms moeilijk vergelijkbaar, vooral als er veel verschil is in de aangesloten organisaties.

Toch zijn de resultaten positief. Vrijwel altijd leidt de meting tot een verbetering van de relatie tussen de huurdersorganisatie en de woningcorporatie. Corporatiebestuurders kunnen zo op een goede manier hun mening over het functioneren geven en waarderen het dat een huurdersorganisatie zich open opstelt. De huurdersorganisaties scoren op sommige punten beter, en op andere weer minder dan collega-organisaties en reageren positief op de aangedragen mogelijkheden om hun werkwijze te verbeteren.

Hebben jullie er zicht op in hoeverre de aanbevelingen ook echt worden opgevolgd?

Tot nog toe te weinig, het is een eenmalige meting. Dat is iets voor ons om in de toekomst te verbeteren.


Reacties:



Plaats hier uw reactie:


 
Home | Print | Colofon | Contact | StadeAdvies