Uit onderzoek voor de Europese Commissie blijkt dat de woonlasten in Nederland de hoogste van Europa zijn. In Nederland slokken de woonlasten gemiddeld 30,9% van het besteedbaar inkomen op, terwijl het Europese gemiddelde 22,2% is. Met name huurders hebben met een percentage van 38,7% een hoge woonlastenquote. Opvallend is ook de hoge woonlastenquote van de 20% huishoudens met de laagste inkomens in Nederland: bijna de helft (47,4%) van hun besteedbaar inkomen gaat op aan woonlasten.
Europees onderzoek
In opdracht van de Europese Commissie hebben ErhanÖzdemir en Terry Ward een internationaal
vergelijkend onderzoek gedaan naar de woonlasten in Europa: Housing
and socialinclusion, EuropeanCommission, november
2009. Ze hebben hierbij gebruik gemaakt van de EU-SILC (European
Union StatisticsonIncome and LivingConditions).
De onderzoekers hebben gekeken naar de woonlasten in relatie tot het
besteedbaar inkomen: de woonlastenquote. Onder woonlasten verstaan ze de kosten
van huur (netto huur, energielasten en overige lasten) en koop (hypotheekrente
minus aftrek, energielasten, belastingen en verzekeringen en onderhoud). De
onderzoekers concentreren zich op armoederisico’s, die zich vooral voordoen bij
hoge woonlasten.
Het onderzoek vergelijkt de woonlasten vanuit verschillende invalshoeken: huur
en koop, inkomensklassen, gezinsamenstelling, leeftijd. Voor Nederland blijft
steeds één conclusie eruit springen: de woonlasten in Nederland zijn de hoogste
in Europa!
Verlaging woonlastenquote noodzakelijk
Het onderzoek bevestigt de Nederlandse Woonbond in zijn opstelling dat de
woonlastenquote in Nederland omlaag moet. De woningmarkt moet beter
functioneren door het aanpakken van de prijsopdrijvende hypotheekrenteaftrek,
aanbieders en verhuurders op de woningmarkt moeten de kosten fors reduceren,
extra investeren in energiebesparing en een zeer gematigd huurbeleid.
Bijzondere aandacht is nodig voor de betaalbaarheid van de laagste inkomens
door de huurtoeslag op peil te houden.
De Woonbond vindt dat de huurverhoging de komende kabinetsperiode niet meer mag
zijn dan maximaal 1% boven de inflatie. In deze 1% zit ook de huurverhoging als
gevolg van nieuwe verhuringen (harmonisatie-effect), zodat voor zittende
huurders de huren slechts maximaal met 0,5% mogen stijgen. Bovendien is een
kleine huurverhoging alleen aanvaardbaar als tegelijk maatregelen genomen
worden om de woningmarkt beter te laten functioneren: versobering van de
fiscale behandeling van de eigen woning, verbetering van de betaalbaarheid voor
de laagste inkomens en extra investeren in de volkshuisvesting. Het geld dat
door deze 1% vrijkomt (in vier jaar tijd structureel een half miljard) is
nadrukkelijk bedoeld voor extra investeringen. Investeringen die nodig zijn om
in de toekomst de woonlasten naar beneden te kunnen bijstellen: sociale
nieuwbouw, energiebesparing en aanpakken van de problematiek in wijken en
krimpgebieden.