Wat gaat Harrie Bosch de komende vier jaar anders doen? En wat merkt u daarvan als bewoner? De Vechtkrant voelde de wethouder van wonen en ruimtelijke ordening aan de tand over het nieuwe collegeprogramma. Opvallend is de grote nadruk op het verbeteren van de participatie en de koers om minder te slopen en meer te renoveren in de stad.
Vindt u het leuk om weer
vier jaar wethouder te worden?
Als ik het niet leuk had gevonden, dan had ik het zeker niet
gedaan. Ik vervul het wethouderschap met veel plezier en ik vind het prettig
dat ik met de volledige portefeuille van wonen en ruimtelijke ordening nog vier
jaar verder kan.
Wat gaat u de
komende ambtstermijn anders doen?
Veel zaken liggen in het verlengde van de afgelopen periode,
zoals Leidsche Rijn, de woningbouwproductie en de
krachtwijken. Er zijn drie zaken die echt anders zijn. De eerste is de
financieel economische situatie. Toen ik in 2006 begon hadden
we de wind mee en was er een flinke woningbouwproductie. Nu is de situatie omgekeerd.
Het tempo zal een stuk lager liggen.
Een tweede verschil zijn onze ambities op het vlak van duurzaamheid;
die zijn een stuk hoger. Dat betekent onder meer dat
we overal waar dat kan, duurzame materialen gaan gebruiken.
Een derde belangrijk verschil is dat we de kwaliteit en
intensiteit van de participatie van bewoners gaan verbeteren.
Wat zijn uw ideeën
over participatie?
Over de participatiestandaard bij woningbouwproductie,
waarin staat omschreven op welke vijf niveaus bewoners kunnen meepraten, ben ik
heel tevreden, en die moet uitgevoerd worden. Wat betreft participatie bij
herstructurering: daarover wil ik in gesprek met de corporaties en De Bundeling.
Het gaat dan ook om het aanpassen van het Stedelijk Protocol.
Kunt u een tipje van
de sluier oplichten?
De gelijkwaardigheid is van belang (de mening van bewoners
is gelijk aan die van andere partijen, c.s.). Daarnaast moet er meer ruimte
komen voor contact met individuele bewoners. Ook kunnen we meer gebruik maken
van onafhankelijke derden. In Kanaleneiland gaat het
woonwensenonderzoek onder bewoners de basis vormen voor de plannen. En in De
Gagel kijken we samen met de bewoners en corporaties nog eens goed naar
alternatieven. Een onafhankelijk voorzitter moet ervoor zorgen dat het proces daar
zorgvuldig en helder verloopt.
Hoe gaat u dat
betalen? De gemeente moet ook bezuinigen.
Dat klopt, op alle fronten wordt het schraler dus ook bij
participatie. Maar bij participatie speelt geld niet zo’n
grote rol. Hier gaat het erom dat je de participatie slimmer organiseert, en
niet minder. Door de kwaliteit van processen in de herstructurering te
verbeteren, kun je een snellere besluitvorming realiseren.
Gaat u de getallen
voor sloop/nieuwbouw en renovatie loslaten?
Ja, dat klopt. Wat we in de praktijk zien, is dat er minder
gesloopt wordt en meer gerenoveerd. In de oude DUO-afspraken
werd gesproken over sloop en nieuwbouw van 9000 woningen en renovatie van 3000
woningen. Nieuwe cijfers spreken over 5000 tot 60000 sloop/nieuwbouw en 5000
renovatie. Die lijn uit de praktijk bevalt en zetten we door. We gaan meer
inzetten op hoogwaardige renovatie en willen daarnaast de verkoop van deze woningen
aan zittende huurders stimuleren.
Hoe ziet u de
regierol van de gemeente?
We zullen onze regierol van de afgelopen vier jaar
voortzetten, en die is vrij stevig. Dat betekent dat we op een volwassen manier
afspraken maken met de corporaties. En dat we zorgen dat de spelregels
duidelijk zijn. De laatste jaren ben ik veel in Overvecht geweest om de plannen
toe te lichten. Maar we zijn niet de grote broer die gaat zeggen wat
corporaties moeten doen. Concrete projecten zijn een zaak tussen corporaties en
de huurders.
Welke instrumenten zet
u in om de doorstroming te verbeteren?
Mijn inzet is om instrumenten te bedenken waarmee je bij een
verhuring rekening kunt houden met het inkomen. We onderzoeken of je een
inkomensgrens van 40.000 euro kunt invoeren om de scheve instroom (hogere
inkomens die terecht komen in goedkopere huurwoningen, c.s.) te beperken.
Daarnaast moeten we er vooral voor zorgen dat we voldoende bouwen en dat we
gevarieerd bouwen. Op die manier krijg je de meeste verhuisbewegingen. Om de
stagnatie in de doorstroming op te heffen moet vooral gebouwd worden in het
eerste segment van de kopersmarkt: namelijk voor starters.
Bij duurzaamheid noemt het collegeprogramma vooral de
rol van andere partijen. Wat gaat de gemeente zelf doen?
Wij zijn vooral initiatiefnemer. We zullen bijvoorbeeld bij
de inrichting van gebieden richtlijnen meegeven voor materiaalgebruik.
Rijnenburg wordt één van de voorbeelden waarin we laten zien hoe je een gebied
duurzaam kan inrichten, ook ten aanzien van bijvoorbeeld warmteopwekking en het
beperken van mobiliteit.
Wat betreft de bestaande bouw: hier valt veel te winnen want
er lekt veel energie weg. De inzet is om isolatieprogramma’s op te zetten.
Gaat u hierover een energieconvenant tekenen met de
corporaties?
Ik weet niet precies hoe ver het staat met dit akkoord. De
corporaties onderschrijven het belang van energiebesparing maar het moeilijke
is dat ze allemaal een wat andere benadering hebben. Maar ik onderschrijf dat
we afspraken met elkaar moeten maken.
Waar maakt u ons blij mee in de komende vier jaar?
Met een voorspoedige woningbouwproductie waardoor de druk op
de woningmarkt afneemt. En ook door tempo te maken met de herstructurering. We
hebben goede voorbeelden van onder meer Ondiep, Zuilen en Hoograven. En ik heb
goede moed dat het toevoegen van nieuwe woningen zowel huidige als toekomstige Utrechters
blij maakt.
Wat gaat u de komende vier jaar nadrukkelijk NIET meer
doen?
Ik ben voorzichtig geworden met het maken van te grote plannen.
Door alles te willen meenemen in een gebiedsplan, zoals woningbouw, verkeer,
winkels, bedrijvigheid enzovoort, maak je plannen te groot en ingewikkeld. Dat
betekent lange periodes van voorbereiden en inspraak. Dan is het moeilijk om
het tempo er in te houden. Ik wil dus werken met kleinere plannen die
overzichtelijk zijn, ook voor bewoners.
(CS)
Reacties:
Plaats hier uw reactie: